Het woord lak komt van het woord "Laksha" uit het Sanskriet. Dit betekent ‘honderdduizenden’ en slaat op de aantallen schildluizen die in India een rood getinte lak produceren. In de loop der tijd is het woord lak synoniem geworden voor de meeste harsachtige producten die in één of andere vorm op hout wordt toegepast. Een speciale plaats hierbinnen nemen de "blanke’ lakken in, die voornamelijk op de schilderijen worden gebruikt. In dit artikel wil ik het specifiek hebben op de lakken die op hout en op lijsten wordt gebruikt en beperk ik mij tot de twee traditionele lakken; de ‘Urushi’ en de ‘Schellak’.
Urushi
Meer dan 4000 jaar geleden werd al in China het sap van de ‘Rhus vernicifera’(let op de gelijkenis met het woord ‘vernis’) gebruikt als beschermende laag op diverse gebruiksvoorwerpen. Deze lak had de eigenschap om alleen in dunne lagen uit te harden. Daarom dat er ter verkrijging van enige laagdikte houtolie werd bijgemengd. Deze combinatie zorgde voor een goede bescherming, zowel als een redelijk snelle droging. De japanners ontwikkelde met deze lak een geheel eigen kunsttechniek, zoals bijvoorbeeld het decoreren van Japans porselein en het bekende rijk gedecoreerde en vaak rijk vergulde Japan lakwerk. Verder was deze lak een voorloper van onze huidige paverpol- en kunstharstechnieken. Al in de 3e eeuw na Christus zijn in China 6 meter hoge beelden van met lak verstijfd henneptouw gemaakt.
In de 7e eeuw voegde men er letterlijk een extra dimensie aan toe. Toen werd de techniek van roodlaksnijwerk ontwikkeld. De lak werd met vermiljoen vermengd en in vele laagjes opgebracht. Na droging van elke laag werd er de gewenste voorstelling terug gesneden en met puimsteen teruggeslepen, zodat er een driedimensionaal reliëf ontstond. Als je bedenkt dat elke laag diverse dagen moest drogen en dat er op het hoogtepunt wel reliëfs werden gemaakt met meer dan tweehonderd lagen geeft dat en hele nieuwe dimensie aan het begrip monnikenwerk.
Ook het maken van de lak zelf werd gezien als een kunst en verspreidde zich vanuit China van Japan en andere Aziatische landen. De kwaliteit en het economisch belang was dermate groot dat in 1882 de Britse consul John Quin een gedetailleerd rapport over de lakindustrie in Japan aan het House of Parliament gaf.
Schellak
In India, Thailand en Birma leeft op diverse soorten bomen een insect dat een harsachtige uitscheiding produceert die ‘lak’ wordt genoemd. Ondanks dat de benaming ‘schellak’ eerst alleen voor de gezuiverde en in dunne plakjes verhandelde lak was, wordt de naam schellak nu voor alle verschijningsvormen van dit "uitscheidingsproduct" gebruikt. Lak wordt al meer dan 1000 jaar voor Christus in de Vedas in India beschreven.
Aanvankelijk werden de uit ‘lak’ gewonnen producten voornamelijk gebruikt voor cosmetische(rode kleur) en medicinale(tegen de reuma) toepassingen. Ook werd(en wordt) het gebruikt voor het verven van zijde uit China en voor leer. Pas in de 16e eeuw komt de gezuiverde vorm in zwang als een transparantachtige lak. Dit heeft niet zo lang geduurd want na 1870 werd het overgenomen door de westerse synthetische lakken. Hierna is het belang van lak niet afgenomen maar het gebruik slechts gewijzigd. Het werd een steeds belangrijker grondstof voor een hele reeks producten. Dat loopt uiteen van 78-toeren platen tot watervaste inkt en haarlak. Schellak is bij verhitting zeer goed in mallen vormbaar en is veel gebruikt om simpele voorwerpen te vormen. Vanwege de brosheid in koude toestand is het in tegenstelling tot Urushi niet geschikt voor het ‘snijwerk’.
De schildluis produceert een hars die steeds harder wordt en hiermee de luis en haar jongen bescherming biedt. De takken met hars worden verzameld en de hars wordt er afgeslagen. Deze ‘stoklak’ wordt fijngeslagen, de takjes eruit gezeefd en gewassen om de kleurstof te verwijderen. Het overgebleven product wordt ‘korrellak’ genoemd en wordt gebruikt voor de wat grovere toepassingen(muren, ramen). Als de korrellak wordt gesmolten en gefilterd werd de dan nog half gesmolten massa uitgerekt tot dunne vellen. Dit is in feite de eigenlijke ‘schellak’. Er zijn diverse gradaties in de schellakken. De donkere soorten worden de ‘robijnlakken’ of ‘bloedlakken’ genoemd. De lichte soorten worden meestal nog verder doorgebleekt en worden dan ook ‘gebleekte schellak’ genoemd. Deze beide soorten worden veel gebruikt bij de verwerking van vergulde lijsten. De warmte van de goudkleur is vaak afhankelijk van het gebruik van de schellakken.
Wanneer men de gesmolten hars niet in dunne platen laat stollen(schellak) wordt deze gegoten in gegalvaniseerde mallen. Deze lak wordt dan ‘knooplak’ genoemd.
Als laatste gebruik is nog te noemen het belang van schellak voor het politoerwerk. Hiervoor wordt voornamelijk de schellak in poedervorm gebruikt. Door de warmte van het wrijven met de politoerdot smelt de schellak weer enigszins en kan een hele gladde opbrenging verkregen worden.
Bronnen: KM 48 2003